Free Web Hosting Provider - Web Hosting - E-commerce - High Speed Internet - Free Web Page
Search the Web

IVISEP nieuwsbrief, maart 2001

Instituut voor Islamitische Studies en Publicaties
[Home] [Artikelen] [Nieuwsbladen] [Interreligieus] [Milieu] [Andere sites] [E-mail]


IVISEP nieuwsbrief, editie maart-april 2001


HET OFFERFEEST

De 'Îd ul Adhâ, ofwel het offerfeest, wordt dit jaar omstreeks begin maart gevierd. Alle Muslims wereldwijd die het zich kunnen veroorloven zullen op deze dag een schaap, geit, koe of kameel offeren. Dit offeren, waaraan alle Muslims meedoen ter herdenking aan de beproevingen die de profeet Abraham ('alaihis salâm), de aartsvader, heeft doorstaan in zijn gehoorzaamheid aan Allâh, is een onderdeel van de haddj (bedevaart) in Makkah. Abraham (Ibrâhîm) was bereid zijn zoon Ismaël eigenhandig te offeren op bevel van Allâh, maar ook Ismaël was zich bereid aan de wil van Allâh te onderwerpen, door dit offer te ondergaan. De Heilige Qur'ân zegt in 37:102:

“En toen hij (de leeftijd) van het werken met hem bereikt had, zei hij: O mijn zoon! Voorzeker heb ik in mijn droom gezien, dat ik u ten offer breng; overweeg dan wat u ziet. Hij zei: O mijn vader! Doe wat u bevolen is; indien het Allâh behaagt, zult u in mij één van de lijdzamen vinden.

Derhalve, toen zij beiden zich onderwierpen en hij hem op zijn voorhoofd neerwierp, en Wij tot hem riepen, zeggende: O Abraham! Inderdaad hebt gij de waarheid van het visioen aangetoond; waarlijk, alzo belonen Wij degenen die het goede doen: waarlijk, dit is een duidelijke beproeving. En Wij kochten hem met een groot offer vrij.”

Op gegeven moment werd Abraham dus door God gezegd dat hij het offer niet meer ten uitvoer hoefde te brengen; zijn rechtschapenheid was reeds bewezen door zijn bereidheid zulks te doen.

Men vraagt zich wel eens af, vooral dit jaar waar door de gezondheidstoestand van runderen e.a. vee in Europa consumptie van het vlees ervan onverantwoord zou zijn, of in plaats van het offeren ook andere soorten van liefdadigheid verricht kunnen worden. Om deze vraag te beantwoorden, moeten we eerst nagaan wat het doel van het offeren is.

Behalve de uiterlijke vorm van het offeren, zoals het slachten en het verdelen aan de armen, moeten wij vooral aandacht besteden aan de les die wij uit het offer dienen te leren. Het offer bestaat namelijk uit een uiterlijke en een innerlijke vorm. De uiterlijke, zichtbare vorm is de daad van het slachten van een dier en het zich voeden met zijn vlees. Echter is vooral de innerlijke, onzichtbare vorm van het offeren belangrijk en daarvoor raadplegen we de Qur'ân 22:37, waarin Allâh zegt met betrekking tot de geofferde dieren:

“Hun vlees bereikt Allâh niet, hun bloed evenmin. Maar voor Hem is aannemelijk rechtschapenheid van uw kant.”

Hier vertelt Allâh dus dat hij het vlees en het bloed van het geofferde dier niet nodig heeft, maar waarom dan dit offer? In de Qur'ân 12:53 staat o.a.:

“…voorzeker, het zelf (ego) van de mens is gewoon hem te bevelen het kwade te doen….”

Laten wij kijken wat er tegenwoordig in de wereld gebeurt. Vele mensen proberen hun leven op te bouwen of hun naam te maken door anderen te vernietigen, zoals dieren dat doen, dus: de één zijn dood is de ander zijn brood. Lage hartstochten zoals zedeloosheid, ongeoorloofde seks, geweld en drugs zijn de trend van tegenwoordig.

Dit alles ontstaat vanuit de dierlijke instincten, vanuit de lagere hartstochten van de mens. Het gevolg hiervan is, dat de gehele mensheid bezig is af te glijden naar de afgrond. Allâh zegt in Qur'ân 95:4-6:

“Voorzeker hebben Wij de mens in de beste vorm geschapen. Vervolgens brengen Wij hem terug tot de laagste der lagen. Behalve degenen die geloven en goede werken doen, die zullen een nimmer af te snijden beloning hebben.”

Het is het dierlijke in ons, dat ons naar de laagste der lagen brengt en dat vijandschap en onenigheid tussen de mensen brengt. Het is dit dier in ons dat geofferd moet worden. Gaat u na: als een ieder zijn dierlijke verlangens zou opofferen, dan zou het vrede op aarde zijn. Want, zoals eerder gezegd, zijn het deze verlangens die onenigheid en vijandschap tussen de mensen brengen. En het onderdrukken van zulke verlangens is het Paradijs waard! Zie Qur’ân 79:40-41:

“En wat hem betreft, die in het aanzijn zijns Heer vreest te staan en de ziel in (haar) lage begeerten bedwingt, dan waarlijk, de tuin - dat is zijn woning.”

Uit het bovenstaande blijkt, dat het offer een andere betekenis heeft dan uitsluitend een liefdegave. Vervangen van het offer door een liefdegave, zonder geldig excuus, is dus niet voldoende.

Echter leert de Islâm, dat in nood andere regels gelden. Zo zien we in de Qur’ân 5:3 staan dat het nuttigen van bijvoorbeeld varkensvlees verboden is, maar dat het in geval van nood (zoals levensgevaar bij hongersnood) genuttigd mag worden, zolang als de nood duurt. Analoog geredeneerd kan gesteld worden dat, zolang er geen gezonde offerdieren voorhanden zijn, het offer op een andere manier volbracht mag worden, bijvoorbeeld door een gelijkwaardig geldsbedrag aan armen en behoeftigen te schenken.

Tenslotte dient opgemerkt te worden dat het offeren tijdens de 'Îd ul Adhâ geen plicht is. Het was een gewoonte van de Profeet Muhammad (vrede zij met hem), welke gewoonte hij sterk aanbevolen heeft aan de Muslims.


IZAK ... OF ISMAËL? 

Begin maart 2001 werd door de Muslims over de gehele wereld het offerfeest gevierd, waarbij het feit werd herdacht dat Abraham van God de opdracht kreeg om zijn zoon te offeren. Toen Abraham op het punt stond die daad ten uitvoer te brengen, liet God hem echter weten dat hij dat offer niet meer hoefde te volbrengen, aangezien zijn rechtschapenheid reeds bewezen was. Abraham mocht in plaats van zijn zoon een dier offeren.

Echter stelt de Qur’ân niet expliciet dat Abraham in plaats van zijn zoon een dier moest offeren. Er staat slechts vermeld: “En Wij kochten hem met een groot offer vrij”. Het feit dat een dier werd geofferd, blijkt wel uit de Bijbel en uit de sunnah (gewoonten) van de Heilige Profeet Muhammad.

Evenzo stelt de Qur’ân niet expliciet dat het Ismaël was, die door Abraham diende te worden geofferd. Er staat slechts vermeld dat Abraham zijn zoon diende te offeren. We zien in 37:102 staan:

“En toen hij (de leeftijd) van het werken met hem bereikt had, zei hij: O mijn zoon! Voorzeker heb ik in mijn droom gezien, dat ik u ten offer breng; overweeg dan wat u ziet. Hij zei: O mijn vader! Doe wat u bevolen is; indien het Allâh behaagt, zult u in mij één van de lijdzamen vinden.”

Wel kan uit een aanhaling enkele verzen verder (37:112) worden geconcludeerd, dat Izak na deze gebeurtenis werd geboren en dat het dus Ismaël geweest moet zijn, die volgens 37:102 geofferd had moeten worden.

Het Oude Testament stelt echter duidelijk, dat Abraham zijn enige zoon Izak (en dus niet Ismaël) had moeten offeren:

“En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, die Ik u zeggen zal.” (Gen. 22:2)

Wij zullen nu onderzoeken of Izak, volgens de Bijbel, ten tijde van het offeren de eniggeboren zoon van Abraham was.

“En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.” (Gen. 16:16)

“En Abraham was honderd jaren oud, toen hem Izak zijn zoon geboren werd.” (Gen. 21:5)

Uit Gen. 16:16 en 21:5 blijkt dus, dat eerst Ismaël werd geboren en pas veertien jaar later Izak. Als Abraham zijn eniggeborene moest offeren, kan dat volgens bovenvermelde aanhalingen dus alleen maar Ismaël zijn geweest.

Ook blijkt uit Gen. 17:23-26 (zie verder) dat Abraham en Ismaël werden besneden, toen Abraham 99 jaar oud was. Izak wordt aldaar niet genoemd; nog een aanhaling waaruit kan worden geconcludeerd dat deze toen nog niet geboren was.

Verder blijkt uit Gen. 21:4 dat Izak acht dagen na de geboorte werd besneden, zoals God Abraham geboden had; toen Abraham het gebod tot besnijdenis ontving, was Izak dus nog niet geboren.

Hierop wordt vaak geantwoord, dat Abraham zijn enige zoon die hij liefhad moest offeren en dat dat Izak was (Gen. 22:2: zie eerder). Met andere woorden: Abraham had Ismaël niet lief. Laten wij nagaan wat de Bijbel hierover vermeldt.

“En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!” (Gen. 17:18)

“En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon van deze dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven. En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, vanwege zijn zoon.” (Gen. 21:10-13)

Uit deze aanhalingen blijkt, dat Abraham ook Ismaël liefhad.

Er zijn sommige theologen die menen dat het offer, dat Abraham moest brengen, slechts op Izak betrekking kan hebben (Gen. 22:2) en niet op Ismaël, aangezien laatstgenoemde volgens hen als een verworpene dient te worden beschouwd, omdat hij niet uit Abrahams echtgenote Sara werd geboren, maar uit de dienstmaagd Hagar (een reden hiervoor is dat deze theologen de profeet Muhammad, zijnde een afstammeling van Ismaël, niet als profeet wensen te erkennen). De Bijbel echter beschouwt Ismaël als één der rechtschapenen:

“En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen.” (Gen. 17:20)

“Sta op, hef de jongen op, en houd hem vast met uw hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.” (Gen. 21:18)

Ook zien we dat het verbond, dat God met Abraham sloot, ook voor Ismaël gold:

“Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hun geslachten. Dit is Mijn verbond, dat gij houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde. En gij zult het vlees van uw voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en u..” (Gen. 17:9-11)

“Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees van hun voorhuid, juist op dezelfde dag, zoals God met hem gesproken had. En Abraham was oud negen en negentig jaren, toen hem het vlees van zijn voorhuid besneden werd. Juist op deze zelfde dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon.” (Gen. 17:23-26)

Wij zien dus dat volgens de Bijbel Ismaël de eerstgeboren zoon van Abraham was, dat Abraham ook Ismaël liefhad en dat Ismaël zeker geen verworpene was. Als de Bijbel stelt dat Abraham zijn eerstgeborene moest offeren, kan dat volgens bovengenoemde aanhalingen slechts Ismaël geweest zijn. Wij vinden het daarom vreemd dat Gen. 22:2 Izak, ten tijde van het offer, als enige zoon van Abraham aanduidt.


PHAGWA OF HOLI

Phagwa of Holi is een nieuwjaarsfeest en wordt gevierd in het laatste deel van de maand ‘Phalgun’ en het eerste deel van de maand ‘Chaitra’ volgens de Hindu-kalender. Dit komt overeen met de Westerse maanden maart en april. De viering begint op de dag na de Holikaverbranding en duurt ongeveer vijf dagen, eindigende op de dag, genaamd ‘Rang Panchmi’. Als deze ‘Rang Panchmi’ op een dinsdag valt, wordt het ‘Budhwa Mangal’ genoemd.

Oorspronkelijk is het woord ‘holi’ afgeleid van het Sanskriet woord ‘holaka’, hetgeen betekent: ‘gedroogde granen’. De viering, welke in het Vedische tijdperk begon, werd ‘Holaka Utsow’ genoemd. Deze gedroogde granen werden gebruikt om een vuurritueel (hawan) te verrichten. De ‘vibhuti’ (gewijde as) die uit dit ritueel werd verkregen werd op de voorhoofden van degenen, die eraan deelnamen, gesmeerd, om het kwaad weg te houden.

Alle grote Hindu-festiviteiten hebben religieuze, sociale en hygiënische elementen in zich. Zo ook het Holi-feest.

Mythologie

Mythologisch gezien wordt het Holi-vuur gezien als een dodenverbranding, omdat het wordt beschouwd als Holika, een duivels figuur, te hebben vernietigd. Volgens een legende was Hiranyakshipu een duivelse koning. Hij wilde de dood van zijn jongere broer wreken, die door Vishnu was gedood. Hij verrichtte vele jaren lang verschillende rituelen, teneinde genoeg kracht te verkrijgen om de koning van de drie werelden te worden. Hij vroeg aan Brahma een zodanige zegen, dat hij noch door mens noch door dier gedood zou kunnen worden, noch binnen noch buiten, noch op aarde noch in de hemel, noch bij dag, noch bij nacht. Brahma gaf hem die zegen.

Gelovende dat hij nu onoverwinnelijk was geworden, werd Hiranyakshipu hoogmoedig en beval al zijn onderdanen om slechts hém te aanbidden. Echter had hij een zoon, genaamd Prahlad, die een vurige aanbidder was van Vishnu. Tot grote teleurstelling van zijn vader bleef Prahlad Vishnu aanbidden. De duivelse koning besloot daarom zijn zoon te doden, maar iedere poging daartoe mislukte. Hij liet daarom zijn zuster Holika komen, die immuun was voor vuur. Hij maakte een brandstapel, stak het in brand en beval Holika erop te gaan zitten met Prahlad. Vishnu redde Prahlad en de slechte Holika verging in zijn plaats.

Het is om deze reden, dat de Holika jaarlijks wordt verbrand. Dit wordt ‘Holika dahan’ genoemd en wordt gezien als een vreugdevuur.

Uit deze vertelling dient ook de les te worden geleerd dat degenen, die liefde voor God hebben, zullen zegevieren en dat degenen, die Gods dienaren het kwade toewensen, zullen worden vernietigd. Kortom: Holi kan gezien worden als een overwinningfeest van het goede op het kwade.

Spiritualiteit

Festiviteiten als Holi hebben hun eigen spirituele waarde. Behalve het amusement creëren ze, indien correct in acht genomen, geloof en vertrouwen in God. Ze leiden de mens weg van zinnelijk genot en leiden hem langzamerhand naar het spirituele pad en godsdienstige belevenis. Men verricht de ‘hawan’ en draagt de nieuwe oogst op aan de goden (uitleg meervoudsvorm: de diverse kwaliteiten van God die in natuurlijke en persoonlijke vorm afgebeeld en vereerd worden, ook wel ‘devta’s’ genoemd), alvorens ze te gebruiken.

‘Holi’ betekent ook ‘offer’. Verbrand alle onreinheden van de geest, zoals egoďsme, ijdelheid, lustgevoelens, enz. via het vuur van aanbidding en kennis. Laat kosmische liefde, genade, vrijgevigheid, onbaatzuchtigheid, waarheidsliefde en reinheid ontbranden. Dit is ‘the real spirit’ van Holi. Ontwaak uit de modder van domheid en absurditeit en duik diep in de oceaan van Goddelijkheid.

Reinheid en sociale waarde

Gedurende het feest reinigen de mensen huis en omgeving en wordt alle vuil verbrand. De schadelijke bacteriën worden hierbij vernietigd. De hygiënische situatie van de omgeving gaat erop vooruit.

Het sociale element in Holi is de vereniging van de ‘groten’ en de ‘kleinen’, de rijken en de armen, enz. Vergeet de negatieve gevoelens van het eindigende jaar en begin het nieuwe jaar met liefde, sympathie, samenwerking en gelijkheid onder allen. Tracht deze eenheid te voelen als een vereniging met het Zelf (God).

Religie

Het religieuze element in het Holi-feest is de aanbidding van Krishna, op sommige plaatsen ‘Dol Yatra’ genoemd. Een beeld van Krishna wordt in een wieg, gedecoreerd met bloemen en gekleurd poeder, geplaatst. De onschuldige grapjes van Krishna met de vrolijke melkmeisjes (gopi’s) van Bindravan worden herdacht. Volgens sommige bronnen zijn het deze plagerijtjes die ten grondslag liggen aan het besprenkelen van mensen met gekleurd water, zoals tegenwoordig bij de Holi-viering gebeurt.

De naam van Krishna wordt geciteerd en Holi-liederen worden gezongen, gerelateerd aan de grappen van Krishna met de Gopi’s.

Vermeldenswaard is dat het Holi-feest geen carnaval is, maar een religieus feest. Tegenwoordig begeven mensen zich in alle soorten van verdorvenheid in naam van Holi. Sommigen nemen alcoholhoudende dranken in, anderen gebruiken vulgaire taal, etc. Culturele waarden en normen worden hierdoor gedegradeerd. Deze vorm van ontaarding van het Holi-feest dient voorkomen te worden.

Het is tenslotte interessant te weten dat de Christenen ook een as-ceremonie hebben, genaamd Aswoensdag, waarvan het tijdstip van viering slechts enkele weken verschilt van het Holi-feest.

Bronnen:


ABRAHAM: AARTSVADER DER GEHELE MENSHEID?

De profeet Abraham is in vele godsdiensten een belangrijk figuur. Wij gingen na, wat de plaats is van deze profeet volgens vier grote godsdiensten.

Islâm

De Islâm kent aan de profeet Abraham een zeer hoge status toe. Zo zien wij in de Heilige Qur’ân staan:

“Vrede zij over Abraham. Alzo belonen Wij degenen die het goede doen. Waarlijk, hij was één van onze gelovige dienaren.” (37:109-111)

“En wie heeft een betere godsdienst dan hij, die zich algeheel aan God onderwerpt? En hij is de weldoener (van anderen) en volgt het geloof van Abraham, de oprechte, en God nam Abraham tot vriend.” (4:125)

Volgens de Qur’ân is Abraham dus de vriend van Allâh (4:125) en verder de vader van de profeten Ismaël en Izak en de grootvader van o.a. de profeet Jakob (6:85-87). Hij is tevens één van de voorvaderen van de profeet Muhammad (vrede zij met hem).

Volgens de Qur’ân 4:150 dient een Muslim in alle profeten te geloven: Mozes, Jezus, enz. en dus ook in Abraham.

De Muslims verrichten hun dagelijkse gebeden met het gelaat gericht in de richting van Makkah, de plaats waar het oudste gebedshuis op aarde, de Ka'aba, werd herbouwd door Abraham en zijn zoon Ismaël. Over deze Ka'aba zegt Allâh in de Qur’ân 3:95-96:

“Waarlijk, het eerste huis voor de mensen bestemd, is dat te Bekka, gezegend en een leiding voor de volkeren. Daarin zijn duidelijke tekenen: de standplaats van Abraham, en wie die binnentreedt zal veilig zijn ...”.

Vele rituelen van de bedevaart zijn te herleiden tot de profeet Abraham. Zo kennen we het heen en weer lopen tussen de heuvels Safâ’ en Marwah, ter nagedachtenis aan Abrahams echtgenote Hagar, die op zoek was naar water voor haar zoon Ismaël.

Verder is ook nog het gebeuren bekend, waarbij Abraham werd opgedragen zijn zoon Ismaël (volgens de Bijbel: Izak) te offeren omwille van Allâh. Op het laatste moment werd hij door Allâh ervan weerhouden zulks te doen en hij offerde een dier in plaats van zijn zoon. Het is dit feit, dat Muslims wereldwijd gedenken tijdens het offerfeest.

Jodendom

Ook het Jodendom kent aan Abraham een belangrijke plaats toe.

Volgens “A Concise Encyclopedia of Judaism” van Dan Cohn-Sherbok (Oneworld Publications 1998) is de profeet Abraham de vader der Joden. Ook vermeldt de Bijbel dat hij de zoon is van Terah en de vader van Ismaël, die werd geboren uit Hagar, en van Izak, die werd geboren uit Sarah.

Na Ur der Chaldeeën verlaten te hebben reisde Abraham naar Kanaän, bezocht Egypte en ging terug naar Hebron. God verscheen aan hem in een visioen en beloofde Abraham dat zijn nakomelingen het land zouden erven. Gods verbond met Abraham wordt benadrukt in het ritueel van de besnijdenis.

God beproefde Abraham’s geloof door hem te vragen zijn zoon Izak te offeren (Gen. 11:31, 12:7, 17, 11:26, 25:10).

Christendom

Volgens de “Catholic Encyclopedia” volume 1 (1999, Kevin Knight, online versie) en het Nieuwe Testament (Joh. 8:33 en 39) stamt Jezus Christus af van Abraham.

“A Concise Encyclopedia of Christianity” (Geoffrey Parrinder) beschouwt Abraham als een grote Hebreeuwse patriarch en als de gemeenschappelijke spirituele vader van de Abrahamistische religies: Jodendom, Christendom en Islâm, terwijl Lukas 16:22 uit het Nieuwe Testament Abraham symboliseert als zijnde het Paradijs.

We zien dus dat de Islâm, het Jodendom en het Christendom aan de profeet Abraham grote waarde hechten.

Hinduďsme

Volgens het boek ‘Muhammad in World Scriptures’ (vol.2) van Dr. Abdul Haq Vidyarthy is de Abraham uit de Bijbel en de Qur’ân dezelfde figuur als de Brahma uit het Hinduďsme. Hij maakt een zeer interessante vergelijking, die wij hieronder heel summier aanhalen:

  • De gelijkenis in naam: Abraham en Brahma;

  • Abraham wordt gezien als de aartsvader; de vader van de Israëlieten (via zijn zoon Izak) en de Arabieren (via zijn zoon Ismaël); zo wordt ook ‘Brahmadji’ gezien als de vader der mensheid, ofwel de eerste der goden (Mundak Upanishad);

  • Volgens Gopath Brahmana bad Brahma voor nageslacht; zo bad ook Abraham volgens Gen. 15:1-4 en Qur’ân 37:100 voor nageslacht;

  • Abraham kreeg twee zonen, Ismaël en Izak; evenzo kreeg Brahma twee zonen, Atharva en Angiras (Gopath Brahmana);

  • Zowel Abraham als Brahma kreeg nageslacht pas op hoge leeftijd;

  • Abraham had twee echtgenotes, Sara en Hagar; zo had ook Brahma twee echtgenotes: Saraswati (let op de gelijkenis in de naam) en Parvati; deze laatste naam betekent hetzelfde als Hagar, namelijk ‘rots’ of ‘heuvel’.

We zouden dus voorzichtig kunnen concluderen, dat Abraham de aartsvader is geweest volgens vier grote godsdiensten op de wereld: het Hinduďsme, het Jodendom, het Christendom en de Islâm.

Bronnen:


Milieu

AARDEDAG 2001

Een bijdrage van de Interreligieuze Raad in Suriname (IRIS)

Aan: alle Surinamers in de gehele wereld

Verbondenheid met de aarde

De Interreligieuze Raad in Suriname nodigt u uit om bij de viering van Aardedag 2001, op 22 april aanstaande, uw verbondenheid met de aarde te tonen.


Suriname vormt een klein deel van deze aarde, die door de Schepper aan de mens is toevertrouwd met de opdracht haar te beheren en te cultiveren. Dat beheer verloopt ook wat ons land betreft momenteel niet goed met alle rampzalige gevolgen van dien, zoals de voortgaande ontbossing, kwikverontreiniging van de rivieren en de vissen, verval van groenvoorziening in Paramaribo, e.d. Met meer aandacht en zorg is er toch nog veel te redden en in goede staat te houden. Het is nog goed mogelijk om ons Land zorgvuldig te beheren en te behouden als plaats van gezond en veilig leven voor de huidige en toekomstige generaties.

U wordt uitgenodigd, waar ook ter wereld, om uiting te geven aan uw ervaren verbondenheid met de aarde. In welke vorm ook: tekening, gedicht, aanbeveling, wens, beeldhouwwerk, foto, ondersteuning van een kind, e.d.

De inzendingen zullen rond Aardedag tentoongesteld worden bij een expositie van werk van jongeren in Paramaribo.

Voor nadere informatie: het secretariaat van de IRIS, Gravenstraat 21, e-mail: waag@sr.net.


HET PAASFEEST

Oorsprong

Het Paasfeest is het oudste van alle Christelijke feesten. De oorsprong van de Christelijke paasviering ligt in de Joodse liturgie, die na een lange ontwikkeling wordt geconcentreerd op de herdenking van de bevrijding uit Egypte, van de tocht door het water en de woestijn naar het Beloofde Land. De herdenking van Gods grote daden voedt het geloof en de hoop op de toekomst. De Christelijke paasviering herdenkt dezelfde geschiedenis van God en zijn volk, maar nu vooral in de persoon van Jezus, die het nieuwe paaslam werd. Aangezien men gelooft dat de opstanding van Jezus op een zondag plaatsvond, wordt het feest gevierd op een zondag op variërende data tussen 22 maart en 25 april.

Kruisiging en opstanding van Jezus

Op gegeven moment kwam Jezus in conflict met de bestaande Joodse partijen en de oppositie tegen hem werd steeds bitterder met het verstrijken der tijd. De Zeloten keerden zich tegen hem, omdat hij weigerde hun werktuig te worden in het aanzetten van een opstand tegen de Romeinen. De Farizeeën werden zijn vijanden vanwege zijn veronachtzaming van hun eigen interpretaties en zijn ongezinde houding jegens hen. Maar zijn meest gevaarlijke opponenten waren de Sadduceeërs. Zij controleerden het politieke Sanhedran en de Tempel en hadden een aanzienlijke invloed bij de Romeinse heersers. Het was in hun voordeel dat het bestaande systeem, dat hen privileges en welstand had verschaft, in stand werd gehouden onder de Romeinse heerschappij. Zij waren bevreesd dat Jezus’ aanspraak de Messias te zijn die, volgens vele Joden, de koning van Israël zou worden, de Romeinen in conflict zou brengen met hun Joodse onderdanen en de status quo zou verstoren.

Na een periode van rondreizende prediking te Galilea keerde Jezus zuidwaarts naar de hoofdstad van de natie. Aldus trad hij de stad van Jeruzalem binnen, rijdende op een ezel. Op de eerste dag in Jeruzalem ging hij de Tempel binnen en bemerkte met verontwaardiging de handel die werd gedreven in de buitenste hofzalen van het Huis van God. De volgende dag ondernam hij actie om alle handelaren en hun waren uit de Tempel te drijven. Zijn vijanden realiseerden zich dat, indien zij niet onmiddellijk tegen hem zouden optreden, het misschien te laat kon zijn.

Hoewel zij niet erg veel liefde voor elkaar voelden, sloegen de Farizeeërs en de Sadduceeërs de handen ineen tegen Jezus. Eén van zijn volgelingen, Judas (niet de zoon van Jakobus), werd omgekocht om de politie naar zijn retraiteplaats te leiden. Het blijkt dat Jezus te weten was gekomen van het complot van zijn vijanden om hem te doden en dit maakte hem erg ongelukkig. “Mijn ziel is zeer droevig, zelfs tot de dood; wacht hier en zie”, vertelt Lukas ons, “hij bad ernstiger; en zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen.” Hij bracht de gehele nacht door in de Tuin van Gethsemane, biddend tot God om hem van de dood te redden:

“Abba, Vader, alles is U mogelijk, neem deze beker van mij weg. Doch niet wat ik wil, waar wat Gij wilt”. (Mark. 14:36)

Jezus werd door de soldaten en de Joodse politie gearresteerd toen het nog donker was. Al zijn discipelen lieten hem in de steek en vluchtten weg. Hij werd eerst voor de Joodse hogepriesters gebracht en dan voor de pontius Pilatus, de Romeinse procurator. De aanklacht die tegen hem naar voren werd gebracht, was dat hij claimde de Koning der Joden te zijn. Het blijkt dat Pilatus niet erg overtuigd was van de waarheid van de aanklacht, maar onder druk van de Joodse opperpriesters en ouderen vaardigde hij het vonnis van kruisiging over Jezus uit.

De Evangeliën vertellen ons dat Jezus aan een kruis werd gehangen tussen twee criminelen. De kruisdood was een langzame aangelegenheid; meestal duurde het twee of drie dagen om van pijn en uitputting te sterven. Maar Jezus bleef slechts voor drie uren aan het kruis (van het zesde uur, d.i 12 uur ’s middags, tot het negende uur, d.i. 3 uur ’s middags).

Het was de Voorbereidingsdag en aangezien het tegen de Joodse religie was dat iemand aan het kruis bleef hangen tijdens de Sabbat, verzochten de Joden Pilatus om de veroordeelde mannen te doden en hun lichamen van het kruis te verwijderen. Aldus werden de benen van de twee criminelen, die samen met Jezus waren gekruisigd, gebroken. Bij Jezus gekomen, dacht men echter dat hij reeds was gestorven en werden zijn benen niet gebroken. Eén van de soldaten doorboorde lichtelijk zijn zij met een speer, waaruit onmiddellijk bloed en water stroomde, hetgeen aantoont dat hij nog steeds leefde. Het blijkt dat Jezus was flauwgevallen of in een diepe zwijm was geraakt. Zijn lichaam werd weggevoerd door een invloedrijke discipel van hem, Jozef van Arimathea genaamd, en in een grot bewaard met een steen over de opening gerold.

De volgende dag werd hij levend gezien, vermomd als een tuinman, eerst door Maria Magdalena en vervolgens door andere van zijn discipelen. De Christelijke theologen stellen dat Jezus was gekruisigd, gestorven en werd begraven; de derde dag stond hij op uit de dood, hij voer lichamelijk ten hemel en zit aan de rechterhand van God, de Almachtige Vader.

Wat veel waarschijnlijker lijkt is dat Jezus niet aan het kruis was gestorven, maar, zoals reeds gesteld, in diepe zwijm was geraakt toen hij werd neergehaald en hij herstelde zich hiervan. Wat men dus dacht een opstanding te zijn, was in werkelijkheid een herstel uit zwijm. Jezus had gebeden gered te worden en God verhoorde zijn gebed. Dit is exact wat de schrijver van de Brieven aan de Hebreeën ons vertelt:

“Toen hij heeft gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, Die hem uit de dood kon redden, en hij is verhoord uit zijn angst”. (Hebr. 5:7)

De Bijbel over de dood van Jezus

De Bijbel bevat aanhalingen die volgens sommige theologen staven dat Jezus niet aan het kruis stierf:

  1. Jezus bleef slechts enkele uren aan het kruis (Mark. 15:25, Joh. 19:14), maar de dood door kruisiging was altijd een langzame.

  2. De twee mannen die samen met Jezus waren gekruisigd, leefden nog toen zij van het kruis werden gehaald; het vermoeden bestaat dat ook Jezus nog leefde.

  3. In het geval van de twee misdadigers nam men zijn toevlucht tot het breken van de benen (om hen af te maken), maar in het geval van Jezus werd dat achterwege gelaten (Joh. 19:32-33).

  4. Toen de zijde van Jezus werd doorboord, vloeide er bloed uit, wat een zeker teken van leven was (Joh. 19:34)

  5. Zelfs Pilatus geloofde niet dat Jezus gestorven was in zo’n korte tijd (Mark. 15:44).

  6. Jezus werd niet begraven, zoals de twee misdadigers, maar werd onder de hoede gesteld van een rijke discipel van hem, die hem zeer goed verzorgde en hem plaatste in een ruime graftombe, die was uitgehouwen aan de zijkant van een rots (Mark. 15:46).

  7. Toen men op de derde dag de tombe zag, vond men de steen verwijderd van de opening, hetgeen niet het geval zou zijn geweest als er een bovennatuurlijke verrijzenis had plaatsgehad.

  8. Toen Maria (Magdalena) Jezus zag, hield zij hem voor de tuinman, hetgeen aantoont dat Jezus zichzelf als zodanig had vermomd (Joh. 20:15). Een dergelijke vermomming zou niet nodig zijn geweest, indien Jezus was herrezen uit de dood.

  9. Het was met hetzelfde vleselijke lichaam dat de discipelen hem zagen en de wonden waren nog steeds zo diep, dat een man er z’n hand in kon steken (Joh. 20:25-28).

  10. Hij had nog steeds honger en at zoals zijn discipelen aten (Luk. 24:39-43).

  11. Jezus ondernam een reis naar Galilea met twee van zijn discipelen, die aan weerszijden van hem liepen (Matth. 28:10), hetgeen aangeeft dat hij een toevluchtsoord zocht; een reis naar Galilea was niet noodzakelijk om ten hemel te varen.

  12. In alle verschijningen na de kruisiging treft men Jezus terwijl hij zich aan het verbergen is, alsof hij vreesde te zullen worden ontdekt.

  13. Jezus Christus bad gedurende de hele nacht vóór zijn arrestatie om te worden gered van de vervloekte dood aan het kruis en hij vroeg ook zijn discipelen voor hem te bidden; de gebeden van een rechtvaardig mens in nood en kwellingen worden altijd geaccepteerd. Hij schijnt zelfs een belofte van God te hebben ontvangen om te zullen worden gered en het was klaarblijkelijk naar deze belofte, dat hij verwees, toen hij aan het kruis uitriep: “Mijn God, waarom heeft U mij verlaten?” (Mark. 15:34). Hebr. 5:7 (zie eerder) maakt de zaak nog duidelijker, aangezien er daar simpelweg gesteld wordt dat het gebed van Jezus was verhoord.

  14. Na te zijn meegenomen naar de zgn. graftombe, werden Jezus’ wonden behandeld met genezende poeders en zalf en werd er een verband om zijn wonden gelegd (Joh. 19:40, Luk. 23:53). Dit is zeker niet de manier, waarop men zich ontdoet van een dood lichaam.

Qur’ân en wetenschappelijk onderzoek

De Qur’ân, die Jezus als een groot profeet van God aanvaardt, onthult ook dat hij niet aan het kruis was gestorven:

“En hun gezegde: waarlijk wij hebben de Messias, Jezus, de zoon van Maria, de boodschapper van God gedood. En zij doodden hem niet en veroorzaakten niet zijn dood door kruisiging, maar hij werd hen gemaakt als zodanig te schijnen. En waarlijk, degenen die hierover verschillen, verkeren daaromtrent slechts in twijfel; zij hebben daarover geen kennis, maar volgen slechts een vermoeden, en zij weten het niet zeker.” (4:157)

De Qur’ân verklaart verder dat God Jezus en zijn moeder Maria “bescherming op een verheven bodem, met weiden en bronnen” gaf (23:50). Recent onderzoek heeft laten zien, dat de plaats waarnaar hier wordt verwezen Kashmir zou kunnen zijn, waarheen Jezus trok op zoek naar “de verloren schapen van het Huis Israëls”, nadat hij aan de kruisdood was ontsnapt. Hij stierf op de hoge leeftijd van 120 jaar en zijn tombe is nog steeds aanwezig in Srinagar, Kashmir (zie artikel verder in dit blad).

Bronnen:

  • Encarta encyclopedie

  • The Great Religions of the World (Ulfat Aziz us-Samad)


CHRISTUS IN KASHMIR 

Journalist Herbert Paulzen in gesprek met professor Fida Hassnain

(samengevat door de redactie)

In een oude stadswijk van Kashmir’s hoofdstad Srinagar staat een eenvoudig rechthoekig gebouw. Dat gebouw heet ‘Rozabal’, een verbastering van ‘Rauzabal’, Urdu voor ‘graf van een profeet’. Een inscriptie vermeldt dat dit het graf is van Yuz Asaf, die vele eeuwen geleden naar Kashmir kwam en zijn leven wijdde aan de verkondiging van de waarheid.

Professor Fida Hassnain (64) is archeoloog en indoloog. Vanwaar zijn interesse in Jezus?

“Door toeval ben ik gestuit op een dagboek van een priester in Leh, Ladakh. Daarin stonden aantekeningen over ene Nicolaj Notovitsj, die ontdekt zou hebben dat Jezus in India was. Toen kreeg ik daarna hinduďstische bronnen onder ogen waarin datzelfde beweerd werd. Toen ik las over de geboorte van Jezus en over de drie wijzen uit het Oosten, raakte ik ervan overtuigd dat Jezus uit het Oosten is.”

Voetafdrukken

“De sarcofaag waarin de restanten van Yuz Asaf liggen staat in oost-west-richting, dat is de Joodse traditie! Hij was dus géén Muslim, dat staat vast. Jaren geleden al heb ik onder het kaarsvet een steen met voetafdrukken ontdekt, behorend bij de sarcofaag. Het bijzondere is dat die voeten sporen dragen van een kruisiging.” Hij toont een replica: “Kijk naar die sporen. De kunstenaar wilde duidelijk aangeven dat deze voeten doorboord waren. Alleen: kruisigingen kwamen in dit gebied niet voor. Voor mij staat vast dat Yuz Asaf niemand anders dan Jezus was.”

Dat het graf van Jezus in Kashmir en nergens anders staat, is voor prof. Hassnain een volstrekt logische zaak: “Kashmir is het paradijs uit Genesis, het Beloofde Land waarvan in het Oude Testament sprake is, het land waarheen Mozes trok om er te sterven.”

Voordat Mozes zijn wetten bekendmaakte, leidde hij de stammen van Israël uit Egypte naar ‘het Beloofde Land’, maar hij bleef steken in de Sinaď-woestijn. Nadat hij de basis voor een geestelijk monotheďsme had gelegd, vertrok hij op hoge leeftijd met enkele getrouwen om ‘het paradijs’, het ‘Beloofde Land’, nog vóór zijn dood te zien.

Volgens Hassnain ging dat niet zo eenvoudig: “Mozes was verliefd geworden op een Ethiopische vrouw en God was kwaad op hem. Hij stuurde hem weg met de belofte dat hij het Beloofde Land slechts zou zien, maar niet betreden. Waar was dat Beloofde Land? Kijken we naar het Oude Testament, wat blijkt dan? Er zijn exacte aanwijzingen, plaatsnamen, bijna een routebeschrijving. De vlakte van Moab wordt genoemd, de berg Nebo of Nebu, de top van Pisgah tegenover Beth-peor. Dáár stierf hij. Ga maar kijken!”

Het graf van Mozes

Bandipur ligt ruim 80 kilometer ten noorden van Srinagar. Volgens Hassnain en anderen is Bandipur het Bijbelse Bethpeor. De berg Nebo, Nebu of Nabo, die nu Niltoop of Baal Nebu heet, is te bereiken via Aham Sharif, een dorp op 15 kilometer van Bandipur gelegen. Via een zigzaggend pad bereikt men vandaar een gehucht, Buth. In een omheinde tuin staat een eenvoudig mausoleum naast twee hutten, die twee grafstenen herbergen.

De hele plaats heet Muqam-i-Musa, ‘plaats van Mozes’. Volgens Mohammad Yasin staat deze plek sinds mensenheugenis bekend als het graf van Mozes. Voor Hassnain is het doorslaggevende bewijs dat de topografie precies past in de beschrijving van het Testament: Bandipur (Beth-peor), Moab en Pisgah aan de berg Nebu en het uitzicht vanaf Mozes’ graf op een groen vruchtbaar land, het land van melk en honing. Het paradijs.

Brahmanen en Buddhisten

Bij het zoeken naar incarnaties van overleden religieuze leiders (dalai lama's, ringpoches) maken de Buddhistische geleerden en lama’s o.m. gebruik van de astrologie. Het evangelie van Mattheüs verbindt de geboorte van Jezus met de komst van ‘de drie Wijzen uit het Oosten’, die ‘een ster’ zouden hebben gevolgd. Volgens Hassnain moeten die wijzen Buddhistische geleerden of lama's zijn geweest, ‘op zoek naar de reďncarnatie van de Buddha’. Heeft men eenmaal een incarnatie gevonden, dan wordt zo'n jongen opgeleid. Hassnain: “Waar was Jezus tussen zijn twaalfde en zijn dertigste? De Bijbel geeft daar geen antwoord op. Kan hij niet naar het Oosten zijn gegaan, op zoek naar de Buddhistische monniken? Hij wist dat Wijzen uit het Oosten naar hem hadden gezocht.”

“Uit de Dode-Zeerollen weten we nu dat Jezus een Esseeër was. Jozef was niet zijn werkelijke vader; vermoedelijk was dat een Esseense priester. Esseeërs onderhielden contacten met Oosterse religies. En wat zegt de Bijbel? De oude teksten van Lucas zeggen dat het kind ‘groeide in wijsheid’, maar ook dat Jezus ‘in de woestijn was tot de dag van zijn terugkeer’. In de latere teksten van Lucas is die laatste passage vervangen door: ‘en de genade van God was over hem’. Wij weten dat de evangeliën vaak zijn veranderd, maar uit die oude tekst kunnen we alleen maar concluderen dat Jezus in ieder geval weg geweest moet zijn.”

Prof. Hassnain haalt Nicolaj Notovitsj aan, een Russisch historicus en ontdekkingsreiziger, die in 1887 in Ladakh terechtkwam. Daar hoort hij van een lama over de ‘profeet Issa’, een reďncarnatie van de Buddha, geboren in Palestina. In het klooster Hemis krijgt hij inzage in geschriften hieromtrent. In het kort: de geboorte van een goddelijke knaap die de naam Issa (Arabisch voor Jezus) krijgt, op 14-jarige leeftijd met kooplui naar het gebied van de Sindh (= Indus) trekt, in aanraking komt met het Jaďnisme en daarna met de Veden van de Brahmanen. Vervolgens gaat hij om met en onderwijst de lagere kasten en vervreemdt daardoor van de Brahmanen. Hij trekt de Himalaya in en wijdt zich in Nepal jarenlang aan studies van Buddhistische teksten.

Hassnain: “De relatie van Jezus met het Oosten is overduidelijk. De reďncarnatie, dan de wonderen die hij verrichtte; zulke wonderen waren algemeen bekend in India, ze worden nog steeds verricht. Dan de vele parallellen met Hinduďstische mythen, de gemeenschappelijke woordstam in Krishna (‘de verlosser’) en Christus, de drie-eenheid - bij de Hindu’s Brahma, Vishnu en Shiva - de overeenkomsten tussen het Buddhisme en wat Jezus ging prediken: tolerantie, liefde voor je vijanden, verlossing van het kwaad.”

De kruisiging overleefd

In zijn boek geeft prof. Hassnain voorbeelden van toespelingen die Christus volgens de geautoriseerde evangeliën maakte in redevoeringen en gesprekken op de aanstaande kruisiging en het overleven ervan. Naar oud-Joods gebruik moesten de gekruisigden vóór de sabbat van het kruis worden gehaald. Leefden ze nog, dan werden hun benen gebroken - de dood volgde dan binnen enkele uren. Christus’ benen brak men niet; hij zou al dood zijn geweest. Als ‘bewijs’ stak een soldaat een lans in zijn zij. Volgens het Johannes-evangelie kwamen bloed en water uit die wonde. Bloed en water evenwel zijn duidelijke tekenen van leven; uit de wonde van een dood lichaam komen niet meer dan enkele druppels dik bloed. Christus moet dus nog geleefd hebben. “Hij moet in coma of in trance zijn geweest.” “Nadat ze Christus naar een geheime schuilplaats hadden gebracht, behandelden zij hem met aloë, myrrhe en andere geneeskrachtige kruiden en planten. Wij weten dat de Esseeërs goede heelmeesters waren.”

Volgens de evangeliën heeft Christus zich daarna nog verschillende keren laten zien aan zijn discipelen. Zij herkenden hem aanvankelijk niet. Ook na de ‘tenhemelopneming’ werd Christus nog gezien, bijvoorbeeld door Paulus, twee jaar later, in Damascus, waar een grote groep Esseeërs leefde en bij wie Christus zich veilig moet hebben gevoeld. Op zijn vlucht voor de achtervolgers (het lege graf had kennelijk argwaan gewekt en de tenhemelopneming werd alleen door zijn apostelen geloofd) vertrok Christus daarna naar het Oosten. Hassnain: “Omdat hij het Oosten in zijn jeugd had bezocht, kende hij de routes en de topografie van die landen.”

Naar het Oosten

Prof. Hassnain beweert dat Christus naar het Oosten ging in gezelschap van zijn moeder en Maria Magdalena, “die een persoonlijke belangstelling voor hem had.” Hassnain: “Er waren meer vrouwen in het leven van Christus. Joanna, Suzanna, Martha, Rachel. Het is duidelijk dat Maria Magdalena van Jezus hield en hij, in zijn hart, van haar. Volgens Joodse wetten had Jezus moeten trouwen; een ongehuwd man kan geen religieus leider zijn. Maar als Esseeër was hij gebonden aan het celibaat.” Hij citeert uit het apocriefe evangelie van Philippus: “...en de steun van de heiland is Maria Magdalena, en hij houdt van haar meer dan van al zijn apostelen en placht haar lippen te kussen...”. Hier haalt Hassnain het evangelie van Johannes aan, waarin gezegd wordt dat Jezus van beide zusters van Lazarus hield.

Het trio reisde naar Nisibus, knooppunt van karavaanroutes. Christus moet zijn identiteit verbergen en noemt zich voortaan Yuz Asaf. Hassnain: “Dat betekent ‘leider van genezen leprozen’. Issa, die de lepralijders genas en hen ook beschermde, werd in Perzië Yuz Asaf genoemd. Uit Perzische bronnen weten we dat hij hetzelfde predikte als in Palestina.”

Christus in Kashmir

“In het jaar 78 van onze tijdrekening hield de grote koning Kanishka het vierde Buddhistische congres in Kashmir. In Buddhistische geschriften is er sprake van een nieuwe Buddha, de Metreya. Waarom gingen ook alweer die Wijzen uit het Oosten naar Palestina? Wat betekent Metreya? Messias! Omdat de ‘t’ in het Arabisch en Perzisch verandert in ‘s’ ... en kijk eens naar de Buddhistische iconografie: daar zie je figuren met merktekens op handen en voeten, symbolische kruisigingswonden.” “Zowel Jezus als Buddha wordt ‘heiland’ genoemd. Beiden zeggen zij: ‘lk ben het licht en de weg’. De titels en omschrijvingen van Jezus en Buddha zijn ook identiek: licht, meester, heer, prins. Beiden vastten veertig dagen, beiden werden beproefd.”

Kwam Jezus tenslotte naar Kashmir?

Hassnain: “Er is een beroemd werk in het Sanskriet uit 115 n.C. waarin zijn ontmoeting met de koning van Kashmir beschreven wordt. Jezus heet hierin Isa-Masih en Yusu Masih.” Het Sanskriet-werk ‘Bhavishya-Maha-Purana’ uit het jaar 115 van onze jaartelling, in 1910 in het Hindi vertaald, is volgens Hassnain één van de belangrijkste informatiebronnen over het verblijf van Christus in Kashmir.

Wanneer kwam Yuz of Issa of Jezus naar Kashmir?

“De Kashmiri uit die tijd gebruikten de Lautika-tijdrekening. De bronnen spreken van het jaar 3154; die tijdrekening begon in 3076 vóór Christus, dus het moet in 78 n.C. zijn geweest.”

Vele historische en geografische namen in Kashmir herinneren aan Jezus’ verblijf. Verbindingen met Issa en Yus, zoals Yusmarg, Yusukum, Yusnag, Yusudha, Issa-Brari, Issa-Ta, Ram-Issa.

Stierf hij in Kashmir?

“Volgens sommigen op hoge leeftijd, 115, 120 jaar zelfs. Zijn laatste wil vertelde hij aan een discipel, Babad, hetgeen ‘tweeling’ betekent, zoals Didymus (Grieks), Tau-am (Arabisch), Theom (Nestor) en Thomas (Aramees)... Thomas dus, zijn tweelingbroer (noot van de redactie: volgens een gezegde van de profeet Muhammad stierf Jezus inderdaad op 120-jarige leeftijd).

Bron:

  • Bres, onafhankelijk tijdschrift over keerpunten in mens en cultuur’, editie december-januari 1989/1990 , uitgeverij: Bres B.V. te Amsterdam

Voor meer informatie:

  • A. Faber-Kaiser, Jesus died in Kashmir, Abacus;

  • Fida Hassnain, Dahan Levi, The fifth gospel, Dastgir Publications, Srinagar, India;

  • Holger Kersten, Jesus lebte in Indien, Knaur;

  • Herbert Paulzen, Tussen goden en demonen, Spectrum;

  • Mohammad Yasin, Mysteries of Kashmir, Kashmir

LEES OOK: Hemelvaart / Jezus' hemel is een graf te Srinagar (Trouw, 26 mei 2001)


Actueel

DE TALIBAN VERSUS DE BUDDHABEELDEN

De Taliban, de fundamentalistische Muslimbeweging die 90 procent van Afghanistan met ijzeren vuist regeert, is kort geleden ondanks het protest van de internationale gemeenschap begonnen met de systematische vernietiging van alle beelden, die door de Taliban als on-islamitisch worden veroordeeld.  Smeekbeden van VN-secretaris-generaal Kofi Annan, van de VN-cultuurorganisatie Unesco, van het naburige India, zelfs van het bevriende Pakistan en van andere landen om de rijke culturele erfenis van Afghanistan te sparen, werden meedogenloos van de hand gewezen.

De vernietiging heeft de Islamitische wereld danig in verlegenheid gebracht. De Organisatie van Islamitische Conferentie (OIC), het hoogste platform van de Muslimwereld, heeft de Taliban ernstig aangeraden de beslissing om de beelden te vernietigen terug te draaien.

Meer dan 70 top-Islamitische intellectuelen van verschillende plaatsen op de wereld hebben unaniem het vernietigen van de wereldwijd beroemde Buddha-beelden, inclusief die te Bamian, veroordeeld. De Iraanse president Mohammad Khatami sprak van een "onmenselijke en gewelddadige" actie van de Taliban die niet vanuit de Islâm te rechtvaardigen valt.

Wij zullen de actie van de Taliban, vanuit Islamitisch perspectief, aan een kritische beschouwing onderwerpen.

Ondanks het feit dat de Qur’ân beeldenverering ten sterkste afkeurt (5:90), beveelt zij de Muslims tolerant te zijn tegenover andere godsdiensten. Zie bijvoorbeeld 22:40:

“…En was er niet Gods terugdrijven van sommige mensen door andere geweest,  zouden er zeker kloosters en kerken en synagogen  en moskeeën, waarin aan Gods naam vaak gedacht wordt, afgebroken zijn….”

Met andere woorden: de Muslims wordt voorgeschreven niet slechts moskeeën te beschermen, maar ook gebedshuizen van andere godsdiensten. Zij dienen dus zorg te dragen voor volledige vrijheid van godsdienstuiting. En dat ondanks het feit dat de Islâm beeldenverering, wat bij verschillende andere godsdiensten voorkomt, sterk veroordeelt!

Verder vermeldt de Qur’ân dat zelfs afgodsbeelden (waarvan in dit geval niet direct sprake hoeft te zijn) niet dienen te worden beledigd. Zie 6:109:

“En beschimp niet degenen, die zij buiten God aanroepen, opdat zij, de grenzen te buiten gaande, God uit onwetendheid niet zullen beschimpen ….”

In meer algemene termen vermeldt de Qur’ân, dat er geen dwang is in de godsdienst en dat op de profeet Muhammad (en zijn volgelingen) slechts de verkondiging rust:

2:256: “Er is geen dwang in de godsdienst….”

2:272: “Hen op de rechte weg te doen wandelen berust niet op u….”

3:19: “Derhalve, indien zij zich onderwerpen, dan volgen zij waarlijk de rechte weg; en indien zij zich omkeren, dan is op u slechts het overbrengen van de boodschap ….”

Hoewel de Islâm beeldenverering dus ten sterkste afkeurt, leert zij volkomen tolerantie tegenover andere godsdiensten. In dit specifieke geval kan echter niet per definitie worden gesteld dat het om afgodsbeelden gaat; het gaat om beelden die voortkomen uit een godsdienst, waar een zekere Goddelijke openbaring aan ten grondslag heeft gelegen, gezien het gestelde in de Qur’ân 35:24:

“En er is geen volk, of een waarschuwer is onder hen geweest ….”

Wel zien we dat de Profeet Muhammad (vrede zij met hem), toen hij Makkah veroverde, de bij de Ka’aba aanwezige afgodsbeelden verwijderde. Daar lagen echter speciale redenen aan ten grondslag, zoals:

  1. De bij de Ka’aba aanwezige afgodsbeelden waren niet het resultaat van enige Goddelijke openbaring, maar waren een product van menselijke fantasie;
  2. De Ka’aba, als symbool van de Islâm, diende vrij te zijn van afgodsbeelden;
  3. De profeet Abraham kreeg volgens Qur’ân 22:26 een specifiek bevel van God om het Heilige Huis (de Ka’aba) te reinigen en deze plicht rustte ook op de profeet Muhammad, zijnde een afstammeling van Abraham via diens zoon Ismaël.

We zien in de Qur’ân (o.a. 21:57-58) dat de profeet Abraham afgodsbeelden in stukken brak. We dienen echter voor ogen te houden dat ten tijde van Abraham vele volkeren nog geen Goddelijke openbaring hadden ontvangen en dat de afgodsbeelden van toen door de mensen zelf verzonnen waren; eenzelfde situatie dus als bij de Ka’aba ten tijde van de profeet Muhammad. In deze gevallen had de uiterlijke vernietiging van de beelden dus als doel de aanbidding van afgoden uit te roeien en de mensen, na op de weg van God te zijn geleid, niet meer te doen vervallen in heidense gebruiken. Zo zien we bijvoorbeeld in het geval van Mozes dat zijn volk, na leiding te hebben ontvangen, terugkeerde tot aanbidding van het gouden kalf (Qur’ân 2:51 e.a.).

Er dient dus onderscheid te worden gemaakt tussen afgodsbeelden en afbeeldingen van een godheid. In het eerste geval is er geen sprake van Goddelijke openbaring, terwijl er in het tweede geval wel sprake kan zijn van een geopenbaarde godsdienst, waarbij de volgelingen het gebruik van beeldenverering invoerden. Volgens de in de Qur’ân beschreven historie werden slechts de afgodsbeelden, waar geen sprake was van goddelijke openbaring, vernietigd, hoewel de Islâm elke vorm van beeldenverering ten sterkste afkeurt, zoals reeds gesteld.

Als we de tijd van de profeet Muhammad in beschouwing nemen zien we dat hij, toen hij een Christelijke delegatie uit Nadjrân ontving, hen onderdak verleende in de moskee en hen toestemming verleende om op hun eigen wijze hun godsdienstplichten te vervullen. Met hen werd de volgende overeenkomst gesloten:

“Leven, godsdienst en bezit van de Christenen van Nadjrân worden hierbij onder de hoede gesteld van Allâh en de profeet. Daarom zal er geen inmenging zijn bij de uitoefening van hun godsdienstplichten, noch zal er verandering komen in hun rechten en privileges; evenmin zullen beelden of kruisen worden ontwijd. Zij mogen niet onderdrukken, maar zullen ook niet onderdrukt worden. Zij zullen echter niet de rechten van de bloedwraak mogen uitoefenen zoals in de dagen der onwetendheid.”

Vermeldenswaard is, dat ook met de Perzen en de Joden dergelijke verdragen werden gesloten.

Tenslotte is het interessant te weten, dat de gewraakte Buddhabeelden in Afghanistan heden ten dage niet meer voor aanbiddingsrituelen worden gebruikt. Dat is ook vrijwel onmogelijk, gezien het feit dat de Talibanheersers de inwoners van Afghanistan de Islâm opdringen, geheel in strijd met de Islamitische beginselen van godsdienstvrijheid.

Wij concluderen dat de actie van de Taliban om de Buddhabeelden te vernietigen volstrekt niet op Islamitische voorschriften berust. Wij vinden het ontzettend jammer, dat de fundamentalistische regeerders van Afghanistan met hun optreden slechts één ding bereiken: antipathie ten opzichte van de Islâm vanuit de rest van de wereld.

De Taliban zouden er goed aan doen de Qur’ân en overige gezaghebbende Islamitische literatuur grondig te bestuderen, alvorens hun on-islamitische wandaden tegenover andere godsdiensten voort te zetten.


Merk op, dat de Westerse berichtgeving betreffende Islamitische kwesties vaak niet zonder vooroordelen is. Voor de Taliban visie op de beeldenstorm en andere kwesties kunt u daarom raadplegen: www.taleban.com

Voor de laatste updates betreffende de beeldenstorm kunt u raadplegen: www.timesofindia.com/today/pagetali

(pagina's openen in een nieuw venster)